Door middel van de Lectio Divina methode lezen we de tekst uit de brief van Jacobus.
Wie is die Jacobus? Wanneer is die brief geschreven? Velen hebben zich er over gebogen en diverse antwoorden gegeven. Het meest aannemelijk lijkt het dat het gaat om de Jacobus, de broer van Jezus. In Handelingen 15:13 en 23 vinden we veel dezelfde woorden terug die ook in de deze brief te vinden zijn.
Dan is deze brief geschreven nog voor de evangeliën geschreven werden zo tussen 40 en 61 n.C. Want volgens de overlevering ondergaat deze Jacobus in 62 n.C. de marteldood. Hij schrijft dus de woorden die Jezus gesproken heeft op voordat Mattheus ze in “zijn Bergrede’’ samenvatte.
De eerste zin van de brief van Jacobus luidt letterlijk: ’’Jacobus, van God en van Heer van Jezus Gezalfde, slaaf, aan de twaalf stammen in de verstrooiing groeten.’’
Voor Jacobus is God, DIE IS, de gezaghebbende. De Enige die uiteindelijk oordeelt. Mensen zijn eigenlijk allemaal leerlingen. Hij voelt zich één van hen en wil er niet boven staan. Als je de brief leest krijg je het gevoel dat hij toch dwingende dingen zegt. Al in de eerste zin van de brief laat hij horen dat hij sterk het gevoel heeft dat God hem die dingen influistert. Dat hij als het ware het instrument is dat de woorden, die God zegt, moet uiten. (Slaaf /dienstknecht is iemand die onvoorwaardelijke zijn heer heeft te dienen.) Jacobus laat meteen in zijn eerste zin horen dat door het volgen van de Weg die Jezus wijst het geloof in God niet naar de achtergrond geschoven is. Vaak duidt hij God ook aan als “de Heer’’. De God van TeNaCH en de God van zijn brief zijn één en dezelfde.
In Genesis 12:2 wordt aan Abram beloofd dat met hem alle geslachten van de aardbodem gezegend worden. Daarna richt aartsvader Jacob zich in Genesis 49 tot zijn twaalf zonen. Later ontstaan daar uit , toen het beloofde land verdeeld werd, twaalf stammen. Daarvan zijn tien stammen na de oorlog met de Assyriërs verdwenen en bleven er maar twee over: Juda en Benjamin. Zo blestond – ook in Jezus’ tijd – de verwachting dat uit die twaalf stammen de zegen voor de wereld zou voortkomen.
Net als Jezus is Jacobus in het joodse geloof opgevoed. Hij schrijft naar joods gelovigen die de Weg die Jezus in Tora heeft gewezen willen volgen. Ze worden in die tijd “mensen van de Weg’’ genoemd. Van een christelijke kerk en een “leer’’ is nog helemaal geen sprake. Ze worden als een “vreemde stroming’’ door hen, die recht in de leer van het joods geloof willen blijven, vervolgd. De brief is waarschijnlijk gericht aan die “mensen van de WEG’’ die op de vlucht in Palestina dicht bij Syrië terecht gekomen zijn. Ook zij kwamen bij elkaar om het Woord te horen en om samen te bidden. Mannen zaten vooraan vrouwen achteraan of bovenaan (om de mannen niet af te leiden). Alleen mannen voerden het woord. Vandaar dat Jacobus zich steeds tot “zijn broeders’’ wendt maar daarmee ook de vrouwen wil aanspreken.
In de nieuwe Bijbelvertaling is er dan ook het woord “zusters’’ aan toegevoegd. De plaats van bijeenkomst heet in het Grieks: Synagoge. Of je nu ‘als jood mens van de Weg was’’ of orthodox joods gelovig je kwam samen in de verstrooiing in de plaats van samenkomst. Jacobus schrijft heel mooi Grieks vaak bijna rijmend. In de vertaling vind je dat niet terug.